Make your own free website on Tripod.com

1 World 2 Travel
Cuba
Geschiedenis & Politiek - 1

Zwarte slaven vervangen uitgemoorde indianen

"Alleen hij is realist, die weet dat zijn dromen van vandaag de wetten van morgen zullen zijn"

José Marti

Al in 1953 vond Fidel Castro Ruz (geb. 1926) dat het welletjes was met het dictatoriaal beleid van Fulgencio Batista y Zaldivar. Met enkele honderden jongeren bestormde hij tijdens het carnaval op 26 juli 1953 de Moncada-kazerne. De overlevenden worden berecht en opgesloten. Onder hen Fidel, die in 1955 echter vroegtijdig wordt vrijgelaten. De "Moviemento de 26 Julio" is geboren.


Samen met broer Raul Castro Ruz, Ernesto Che Guevara, Camilo Cienfuegos, Frank Pais en een handvol andere "commandante’s" scheept hij in december 1956 langs de Mexicaanse kust in om met het kleine jacht "Granma" naar de provincie Oriente af te stevenen. Het legertje wordt uitgebouwd in de Sierra Maestra, en krijgt snel meer aanhang.
De barbudos zijn geboren: Castro en zijn companeros (kameraden) besluiten snor en baard te laten groeien tot de zege is afgedwongen.
La Habana valt op 1 januari 1960 en de Amerikanen krijgen een probleembuur, die ondanks boycot en embargo’s, nog steeds het hoofd boven water houdt. Nog steeds luidt de slogan Patria o Muerte - Venceremos (Vaderland of de dood, wij zullen overwinnen).

Indianen uitgemoord, dan maar zwarte slaven
Christoforo Colombo zette hier voet aan wal in 1492, en hij dacht India te hebben bereikt. Op 28 oktober van dat jaar doopte hij het gevonden land Juana, naar de naam van de Spaanse infante. De naam zou verbasteren tot Cuba.
Het zou tot 1511 duren eer de Spanjaarden Cuba daadwerkelijk koloniseerden. Diego Velasquez kwam met 300 man aan en stichtte toen - vijf jaar na de dood van Colombus - Nuestra Senora de la Ascencion Baracoa. Hij stuitte slechts op een lichte weerstand.
Het enige verzet ging uit van indianenopperhoofd Hatuey, die door de Cubaanse vrijmetselaarsloge met een borstbeeld bedacht werd in het stadje. Zijn beeltenis prijkt ook op het gelijknamige nationale bierflesje. Drie jaar later volgde Santiago de Cuba en in 1515 La Habana.
De Spanjaarden maakten van Cuba een bevoorradingsstation voor hun expedities naar Mexico en Florida. De oorspronkelijke indianenbevolking Siboney (verwant aan de Arawaks) werd massaal uitgeroeid. Voor het werk op de plantages werden negerslaven ingevoerd.
Hernan Cortés vertrok hier om het continent te veroveren. In de 16de en 17de eeuw kende het land, ondanks vele pirateninvallen (o.m. Henry Morgan), een bepaalde welvaart. In 1763 werd het door de Engelsen bezet na de Zevenjarige Oorlog. Tussen 1774 en 1817 steeg de bevolking van 161.000 naar 550.000.
Cuba vormde ook de rechtstreekse aanleiding tot de Monroeleer, waarbij de Amerikanen beloofden Europa gerust te laten, maar het eigen continent en andere gebieden in Azië voor zich opeisten.

Einde slavernij: import van Chinezen
In de 19de eeuw groeide het verzet van de Cubanen tegen moederland Spanje. Dat begon al omstreeks 1830. Vooral de vrijmetselarij speelde hierin een belangrijke rol en ook het ideeëngoed van de Franse Revolutie waaide de oceaan over.
Het gegrom nam toe onder het despotisch gouverneurschap van generaal Miguel de Tacon. In 1844 werd een opstand van de zwarte slaven bloedig onderdrukt en een poging om het land te annexeren met de USA eindigde zeven jaar later met de executie van leider Narciso Lopez.
Spanje wees intussen Amerikaanse voorstellen af om Cuba te verkopen.
In 1868 lanceerde Carlos Manuel de Céspedes, Ignacio d’Agromonte en Vincente Aguilera een eerste aanval. De drie waren grootgrondbezitters en vrijmetselaars. Het werd een tienjarige oorlog waarbij 200.000 doden zouden vallen.

Onafhankelijkheid bleef droom
Op 10 oktober 1868 roept de Cespédes op zijn domein in Demajagua uit tot een onafhankelijk land. Met 160 partizanen, vooral bewapend met machetes, verovert hij Yara, Jiguani en Bayamo. De Cespedes verleent alle slaven de vrijheid in de veroverde gebieden.
In Havana begint een Spaanse terreur. Vooral intellectuelen worden het slachtoffer.
Onder hen een zestienjarige adolescent, die geschiedenis zou schrijven. José Marti wordt tot zes jaar cel veroordeeld omdat hij een brief verzond naar een vriendin die op de lijst stond van subversieve personen.
Na verloop van tijd krijgen de Spanjaarden opnieuw de overhand, de Cespédes, Agramonte, Garcia sneuvelen. De Cubanen werden uiteindelijk echter verslagen.
Het pact van Zanjon bezegelt de onafhankelijkheidsdroom. Alleen ene Antonio Maceo , een mulattenchef, protesteert. Spanje zou nog van hem horen.
Zwarten en blanken verkregen gelijke rechten in 1893. In 1886 was de slavernij al afgeschaft en werd begonnen met de aanvoer van goedkope arbeidskrachten uit China. Eén Cubaan op vier was op dat ogenblik ongeletterd en ook één op vier was werkloos.

Jose Marti met Amerikaanse “hulp”
Op 25 maart 1895 bundelen José Marti (schrijver, dichter, politicus), Antonio Maceo (een jonge mulat en generaal, oud-strijder van de eerste oorlog) en de Dominicaanse inwijkeling Maximo Gomez y Baez de krachten.
Op 11 april landden zij in de provincie Oriente. José Marti, die nog steeds beschouwd wordt als de held van Cuba, had het sein voor de opstand gegeven door een boodschap te verbergen in een... Havanasigaar. Hij sneuvelt op 19 mei in Don Rios.
In december richten de rebellen een voorlopige regering op en het jaar daarop breidt de oorlog naar het hele eiland uit. Maceo sneuvelt op zijn beurt. Cuba telt op dat ogenblik 1,5 miljoen inwoners en Spanje zet 300.000 soldaten in.
In 1898 maken de Amerikanen handig gebruik van een aanslag, op 15 februari 1898, waarbij het pantserschip Maine voor Havana tot zinken wordt gebracht.
Spanje wordt officieel beschuldigd. De Amerikaanse mariniers gaan massaal aan wal en roeien de laatste Spanjaarden uit, die al op de rand van de nederlaag stonden. Pas in 1969 zou de US Navy officieel vaststellen dat het schip waardoor een oorlog ontstond ontplofte ingevolge een defect in een waterketel.
De Amerikanen veroverden dank zij het Vredesverdrag van Parijs (10 december 1898) Cuba (én Puerto Rico en Guam) en verleenden het in 1902 een beperkte onafhankelijkheid.
Hun (eerste) marionet werd generaal Thomas Estrada Palma. Hierbij verwierven de USA de toelating om militair tussenbeide te komen als de onafhankelijkheid zou worden bedreigd.
Toen in 1906 een opstand uitbrak, bezetten de Amerikanen het land opnieuw. In Camagüey zouden zij zelfs blijven tot in 1922.
De Amerikanen behielden een legerbasis op Guantanamo. Die mochten zij in principe maar behouden tot 1988. Het is op deze basis dat de Yanquis nu gevangen Al-Quayda terroristen uit Afghanistan gevangen houden.
Φ

Mijn leven loopt iedere dag gevaar, maar het is mijn plicht door middel van de onafhankelijkheid van Cuba tijdig te verhinderen dat de Verenigde Staten zich over de Antillen uitstrekken en met die extra kracht op onze Amerikaanse landen neervallen...
... Ik heb in het monster geleefd, ik ken zijn ingewanden; mijn slinger is die van David. Dit is dood of leven en vergissen is uitgesloten.

José Marti, één dag voor zijn dood in 1895


Geschiedenis – deel 2
Na Machado was Batista één druppel teveel



CUBA
Main Page


©  2001 december  copyright  vilmos  cvg   * information:   webmaster   * using this text for commercial purposes will not be allowed